Nieuws
<< terug >>
De Wageningse Berg als een prachtig levenswerk
Door LEX LAMMERS (De Gelderlander)
Zaterdag, 23 december 2006 - Soms heeft een plek een magische uitstraling. Stadion De
Wageningse Berg is daarbij voor altijd aan Kees Quint verbonden. In de lommerrijke omgeving
keepte hij vijftien jaar de sterren van de hemel. Nu zorgt hij er voor dat het sportieve relikwie
zijn eeuwige waarde behoudt.
Teder slaat hij de bladzijdes om. Op het knisperende papier doemen vergeelde foto’s op als
kunstwerken uit het leven. Een panter zweeft over het beeld, op de achtergrond zijn de tribunes
helemaal volgepakt. Dit is zijn nalatenschap, zegt hij. Een hele rits met plakboeken van zijn
sportieve loopbaan.
Kees Quint (67) kijkt vol trots de huiskamer in. „Hier“, wijst hij naar een krantenknipsel van
mei 1957. „Dit is mijn debuut voor Wageningen. Ik was zo trots als een pauw. Het was een wedstrijd
tegen KFC, de voorloper van AZ. We wonnen ook, met 6-4. Prachtig.“
Dat is zijn sportcarrière zeker. Quint, een jongen uit de boezem van Wageningen, maakt op De Berg
vijftien jaar als profvoetballer mee. De eerste seizoenen onderhoudt hij een stoplichtrelatie met
de basis, maar de volgende tien jaar is hij onbetwist de Nummer 1 van de club. Een droom gaat in
vervulling.
„Ik was als jochie van zeventien al blij dat ik met een grote meneer als Charley Van de Weerd
mocht trainen. En als ik mocht praten met een ster als Frans Beijer was dat een hele eer.
Natuurlijk, later was ik de vaste keeper en werd alles anders. Maar ik bleef altijd trots om
als prof voor Wageningen uit te komen. De club wás mijn leven.“
Voor het geld hoeft hij het in die tijd niet te doen. Het profvoetbal staat in de jaren zestig
nog in de kinderschoenen. „Ik had in mijn eerste seizoenen niet eens een contract“, verhaalt Quint.
„Daarom schoven medespelers me na de wedstrijden wat lapgeld toe. Werd ik dus toch nog beloond.“
„Later kreeg ik uiteraard wel een contract. Ik begon met iets van zeshonderd gulden per jaar en
langzaam werd dat bedrag groter. Dat hoorde ook bij mijn status. Maar rijk ben ik van het voetbal
natuurlijk niet geworden. Met een premie van 25 gulden per gewonnen wedstrijd gaat dat nu eenmaal
niet zo hard.“
Quint lacht dan weer en slaat een volgende bladzijde van het plakboek om. Kreukelig krantenpapier
herinnert aan vreugde en verdriet. „In het begin maakte ik natuurlijk allerlei fouten“, vertelt
Quint. „Ik werd bij Wageningen ook menig keer op mijn vingers getikt. Ik zeg ook altijd maar:
‘Met ervaring komt ook de wijsheid’. Ik ben bij de club als keeper en als mens volwassen geworden.“
En met hulp van een ‘wonderdokter’. De plakboeken vermelden niet de bezoeken van de jonge doelman
aan een heuse homeopaat. „Psychologie speelt altijd een rol in de sport en dat was in mijn tijd
ook het geval. Ik zocht een middel tegen nervositeit. Daardoor maakte ik fouten en miste ik
vertrouwen. Het werkte heus wel, maar pas met de ervaring van enkele jaren in het profvoetbal
verdwenen de zenuwen ook echt. Relativeren is dus ook een kunst.“
De jubelkoppen in zijn bibliografie symboliseren het groeiproces. Het Vrije Volk tekent in juni
1968 op dat Quint ‘op spectaculaire wijze redding bracht’. De held in kwestie gaat rechtop zitten.
„1968 was een geweldig jaar“, fluistert hij al wegzinkend in de tijd. „In dat jaar werden we
kampioen en dat is uniek in de historie van Wageningen. We promoveerden van de tweede divisie
naar de eerste divisie en de stad was één groot gekkenhuis. Hier is de eindstand. Na 38 wedstrijden
hebben we 51 punten. Helmond Sport en Veendam blijven twee punten achter.“
Het doelsaldo bedraagt 75 voor en 45 tegen. De Panter van Wageningen is dus wel te verslaan.
„Zeker“, lacht Quint. „Maar ik was wel een behoorlijke keeper. Anders had ik natuurlijk ook niet
tien jaar vast in het eerste elftal gestaan. En de club trok heus wel eens nieuwe keepers aan,
hoor. Alleen overleefde ik telkens weer. Dan spuugde ik in de handen en ging ik er vol tegenaan.
Karakter is echt een voorwaarde om in de sport te slagen.“
„Ik keepte aanvankelijk nog met blote handen. Dat was in die tijd zo. Later droeg ik wollen
vingerhandschoenen. Was lastig vangen, maar wel een vooruitgang. In mijn laatste jaren waren er
echte keepershandschoenen. Ging het nog veel beter.“
Maar ook omdat de doelman dan zowaar aandacht krijgt in de voetbalsport. „Weet je“, zegt Quint bij
een foto van een feestende meute, „tot het kampioensjaar 68 heb ik nooit gerichte keeperstraining
gehad. Daarvoor was het alleen maar knallen op de keeper. Nu was ik 28 jaar en ging er een wereld
voor me open. Als ik vanaf het begin van mijn carrière gerichte training had gekregen, was ik
echt veel beter geworden. Nu ontwikkelde ik me vanaf mijn 28ste jaar nog wel, maar profiteerde
ik daar nog maar enkele jaren van. Toch jammer.“
Het plakboek is de stille getuige. In 1972 sluimert in de knipsels het afscheid van een sporticoon.
„Ik was 32 jaar en had een kapotte knie. Intussen was Wageningen weer tweededivisionist, na de
degradatie in 1969. Achteraf was een operatie fnuikend voor me. Er werd te veel van de meniscus
weggehaald en daardoor kwam het nooit meer goed. Dat was zonde, zeker, maar ik had natuurlijk wel
een heel mooie carrière meegemaakt. Ik had mijn droom beleefd, mijn top gehaald. Ik heb tegen Faas
Wilkes (Xerxes) en Abe Lenstra (Enschedese Boys) gevoetbald. Dat kon niemand me toch nog afnemen?“
Zoals dat ook geldt voor De Berg. Nieuwe knipselmappen openen een nieuwe wereld. Quint gaat scouten
voor de proftak en zet later Oud-FC Wageningen op. Waardoor de club ook na het faillissement een
ziel blijft behouden.
„De Berg is mijn levenswerk geworden“, beseft Quint. „Ik kom er nu nog enkele keren per week als
beheerder van het stadion. De Berg is een monument en dus moet het stadion ook overeind blijven
staan. FC Wageningen gaat bij mij in elk geval nooit verloren.“
De magische plek levert alleen geen dikke plakboeken meer op. Laat staan een panter voor volgepakte
tribunes. Dat moment is alleen voor Kees Quint.

Cornelis Antonie Quint
Roepnaam: Kees ('met een K')
Geboren: 4-10-1939
Afkomstig uit Wagenings horecagezin. Zoon van Marinus ‘Mies’ Quint, uitbater van De Brug (nu Onder
De Linden).
Woonachtig in Arnhem en getrouwd met Coos.
Heeft drie kinderen met affiniteit voor sport. Zoon Marcel is enkele jaren prof bij Vitesse,
dochter Carla groeit uit tot waterpolo-international en neemt deel aan de Olympische Spelen van
Sydney 2000. Dochter Marga is bescheiden wedstrijdzwemster.